Over geluk …

De lotus en de reiziger

‘Hier moet het zijn.’ De reiziger gooide zijn spullen van zijn schouders en plofte in het hoge gras aan de oever van de rivier. Dagen had hij gelopen, en nu zelfs ook de hele nacht. Moe van de lange reis droomden zijn ogen over het water. ‘Hier moet het dus zijn.’
Op dat moment verrees een grote, oranje gekleurde zon aan de einder. ‘Zoek je iets?’, klonk het ineens. De jongen wendde z’n blik van het zonlicht af en tot zijn verrassing keek hij midden in het hart van een grote blauwe lotusbloem.
Hij veerde op. ‘Eindelijk!’, riep hij. ‘Ik heb je gevonden! Jij moet de oude lotus zijn!’
De bloem streek de laatste plooien uit zijn bladerenkrans en schitterde in het morgenlicht. Overdonderd door zo veel schoonheid kon de jongen niets anders dan kijken. Dit moest de bloem zijn waar zijn moeder hem vroeger al van vertelde. De bloem met vele levens. De bloem van alle antwoorden.

‘Vertel eens beste jongen’, doorbrak de lotus de stilte, ‘ik zie dat je een lange reis gemaakt hebt. Wat heeft je bij mij gebracht? Waar ben je naar op zoek?’
De jongen zweeg. Ineens vertwijfeld om de eenvoud van zijn vraag. ‘Vooruit, vertel het maar’, sprak nu de lotus bemoedigend. ‘Ik ben in al die eeuwen heus wel wat gewend.’
Na een diepe zucht zei de jongen: ‘De liefde, ik kom voor de grote liefde.’
Een zachte bries ruiste even door het riet.
‘Tja’, sprak de lotus zacht, ‘dat is een serieuze zaak.’
De jongen knikte verlegen.
‘En wat stel je je daar dan bij voor? Bij de grote liefde?’
‘Nou ja’, aarzelde de jongen, ‘…ze is mooi. Bruine ogen… een dikke paardenstaart met krullen en…’ Even verdronk de jongen zijn blik in het water.
‘Ja?’, moedigde de lotus aan.
‘…En ze kan prachtig zingen.’
‘Jaja’, zei de lotus, en hij danste zachtjes over de rimpels in het water.
‘En waarom zoek je die grote liefde dan eigenlijk?’
De jongen rechtte toen zijn rug. Want dat wist hij precies. ‘Mijn vader en moeder weet je, die houden zo veel van elkaar, die zijn zó gelukkig; dat wil ik ook!’
‘Dus als ik je goed begrijp zoek je eigenlijk twee dingen? Je zoekt de grote liefde én je zoekt geluk?’
‘Je grote liefde vinden ís toch het grote geluk?’, vroeg de jongen bedenkelijk.
‘Is dat zo?’, vroeg toen de lotus.
‘Tja…’ Even wist de jongen het niet meer zeker.
‘Weet je wat?’, zei de lotus, ‘denk daar maar eens over na. Maar eerst moet je wat uitrusten. Je hebt een lange reis achter de rug. Morgen tref ik je op deze plaats met het antwoord op mijn vraag.’
Dat leek de jongen een goed idee en een beetje in de war, maar toch dankbaar, nam hij afscheid van de blauwe bloem.
Terwijl hij languit in het gras lag, dacht hij na over zijn ouders die het geheim van de grote liefde kenden. Waren zij ook gelukkig zónder die grote liefde? Vlak voor hij in slaap viel wist hij het zeker: het antwoord was ‘ja’. De grote liefde waar ze elke dag van snoepten was de slagroom op de grote gelukstaart die ze zelf gebakken hadden.
De volgende morgen zat de jongen al vroeg aan de oever. Zodra de lotus uit het water tevoorschijn kwam, riep hij: ‘Ik weet het al!’, en hij vertelde over de taart en de slagroom.
‘Wat leuk bedacht’, grinnikte de lotus. ‘En als je dan mocht kiezen tussen alleen maar slagroom, of alleen maar taart? Ik bedoel tussen alleen maar je grote liefde vinden of het grote geluk? Wat koos je dan?’
‘Ja, het geluk natuurlijk’, begreep de jongen. ‘Wat moet je met de grote liefde als je eigenlijk niet gelukkig bent tenslotte?’ ‘Daar heb je een punt.’ Tevreden over de snelle leergang van de jongen draaide de bloem zijn kroon een beetje mee met de schuivende zon.
‘Dus vanaf nu’, ging hij verder, ‘vanaf nu reis je niet op zoek naar de grote liefde, maar om het grote geluk te vinden?’
‘Ja’, glimlachte de jongen. ‘Dat is geloof ik wel het slimste dan.’
‘Maar vertel eens’, zei de lotus, ‘hoe ziet dat er dan uit, dat geluk waar je naar zoekt? Dat moet je toch wel weten om het te kunnen herkennen tijdens je zoektocht. Voor je het weet loop je eraan voorbij.’
De jongen begon toen alle mooie en leuke dingen op te noemen die hij maar kon bedenken. Na een halfuur dreef de lotus een beetje af en onderbrak het geratel. ‘Dat zijn inderdaad allemaal gelukjes, maar kun je het ook in het kort omschrijven?’
De jongen keek de lotus verbaasd aan. ‘Ja weet je’, zei de lotus, ‘ik wil nog andere dingen doen vandaag. Kom anders morgen maar weer ’ns langs, dan hoor ik het eenvoudigste antwoord dat je kunt bedenken.’

De volgende ochtend, nog voor de lotus al zijn bladeren had uitgerold, ratelde de jongen het antwoord waar hij de hele vorige dag nog over had nagedacht. ‘Dat je tevreden bent met alles om je heen, en dat je daar ook van geniet’, riep hij over het water.
De lotus dacht na.
‘Jaja’, zei hij toen. ‘Dus geluk is volgens jou heel tevreden zijn?’
‘Ja, simpel toch?’, zei de jongen.
‘Is dat simpel?’, vroeg de lotus kritisch. ‘En waar denk je die tevredenheid dan op je reis te vinden?’ Dat wist de jongen even niet zo snel. En hij had ook geen zin om weer een dag te moeten nadenken over het antwoord op zo’n lotusvraag. Hij wilde verder! Verder met zijn zoektocht. ‘Wat een vragen stel jij toch de hele tijd’, zei de jongen na een tijdje een beetje verbolgen.
De lotus trok nu zijn kroon een beetje op. ‘Jij komt bij mij met een levensvraag, en ik mag jou geen vragen stellen? Mooi is dat.’ Maar de oude bloem was mild en begreep het ongeduld van de jonge reiziger. ‘Weet je, ieder leven is een ander antwoord op de zoektocht naar geluk. Daarom kan ik niet jouw antwoord geven. Je moet het zelf bedenken, maar ik kan je wel op weg helpen.’
De jongen had er eigenlijk geen zin in, maar bleef toch zitten.
‘Bestaat tevredenheid als iets buiten jezelf, of zit het ín jou?’, vroeg de lotus verder.
De lotus en de jongen zwegen tot in de eerste avondschemering. Ineens sprong de jongen op. ‘Ik snap het!’, riep hij. ‘Ik snap wat je bedoelt!’
‘Wat dan?’, vroeg de lotus een beetje overrompeld door zoveel plots enthousiasme.
‘Je bedoelt dat ik op reis ben gegaan om iets te zoeken wat ik al die tijd alleen maar in mezelf kon vinden! Jee, wat stom, dat ik dat niet zelf heb kunnen bedenken.’
‘Maar je hébt het zelf bedacht’, zei de lotus nog een beetje verschrikt.

Volmaakt tevreden knielde de jongen langs de kant van de rivier en wierp een kushand over het water! ‘Dankjewel!’, riep hij. ‘Dankjewel voor alles!’
De lotus sloot tevreden een voor een de bladeren van zijn kelk.

Op dat moment klonk aan de andere oever van de rivier een prachtig lied.

‘Ze heet Jannie’, zei de lotus, en geruisloos gleed hij in de donkere diepte van het water.

lotusbewerkt12

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s