klavers

‘Jij dan?’ Vol verwachting kijkt de roodborst naar de kleine haas.
‘Wie de meeste vindt, heeft gewonnen.’
De kleine haas twijfelt.
‘Doe maar joh. Je verveelde je toch? Dan heb je wat te doen.’
Ida geeft een aai over zijn kop.
‘Oké’, zucht de haas ‘ik doe wel mee.’ En hij haalt argeloos zijn schouders op.
‘Dan beginnen we nú!’, roept de roodborst. En weg is hij.
Beteuterd kijkt de haas hem na.
Een poosje blijft hij zo zitten.
‘Ga dan zoeken!’ , spoort Ida hem aan.
‘Ja maar, ik weet eigenlijk niet zo goed wáár ik moet zoeken’, zegt het haasje.
‘Ik heb nog nooit een klavertjevier gevonden. En hij kan zo goed rekenen. Hij kan uitrekenen waar de meeste klavertjes zitten, zegt hij.’
‘Geluk hoef je niet uit te rekenen’, zegt Ida stellig.
‘Je moet het zíen.’
Ze staat op, klopt haar broek af en zegt: ‘Weet je wat? Ik ga je helpen. Jij de ene kant op, en ik de andere kant.’
Kleine haas twijfelt.
‘Nah, kom op’, moedigt Ida hem aan.
‘Aan de slag. Als je niks doet, vind je nooit wat.’

Het haasje sloft door het mulle zand.
Hij heeft géén idee.
‘Die stomme wedstrijdjes altijd.
Als ik nou maar eens één keer van hem zou winnen’, denkt hij.
Verloren hipt hij van veldje naar veldje.
Op zoek naar klaver.
De zon draait rustig verder en beetje bij beetje laat de kleine haas de moed zakken.
‘Wat kan het me ook schelen?’, denkt hij.
En hij besluit om een lekker koel plekje te zoeken bij de bosvijver.
‘Hoe doet die vogel dat toch?’, denkt hij als hij in de schaduw ligt. ‘Hoe rekent hij dat dan uit? Ik moet dat toch zelf ook kunnen?’
En met deze gedachten dwalen zijn ogen wat over het water.
Plots blijft zijn blik hangen.
Aan de rand van het water ziet hij een groepje witte klaverbloemen.
Even aarzelt hij. ‘Het zou kunnen…’ weegt hij af, en een beetje onzeker hipt hij naar de bloemetjes.
Zijn hart bonst als hij met zijn pootje zachtjes over de klavers aait.
‘HEBBES!’, roept hij dan.
Van blijdschap maakt hij een sprongetje. ‘Ik heb er één!’ En hij speurt verder.
– ‘En nog één!’
– ‘En nog één! Het zijn er wel honderd!’

Opgewonden rent hij terug naar de grote braamstruik.
Ida en de roodborst zitten tevreden in de schaduw.
‘Ah! Daar ben je eindelijk’, roept de roodborst al uit de verte. ‘Heb je weer niks gevonden?’
Buiten adem stopt de haas bij zijn vrienden. Dan ziet hij drie klavertjesvier uitgestald op het mos.
‘Van wie zijn die?’, vraagt hij.
Ida knikt naar de roodborst. ‘Van hem!’ En ze stopt een sprietje gras in haar mond.
‘Het is een kans van 0,01 tot 0,1 procent dat je een klavertjevier vindt’, zegt het vogeltje met zijn borst vooruit.
‘Ik heb het precies uitgerekend. En het klopte.’
De kleine haas kijkt hem aan.
Even is het stil.
‘Ik heb gewonnen’, zegt hij. En voorzichtig kijkt hij de roodborst aan.
‘Zien’ zegt de roodborst.

Met ingehouden trots brengt de kleine haas zijn vrienden naar de bosvijver.
‘Kijk maar’, wijst hij. ‘Het zijn er wel honderd.’

Minzaam kijkt de roodborst op.
‘Puur geluk’, mompelt hij.

‘Precies’, zegt Ida, en ze knipoogt naar haar beste vriend.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s