Het is aardedonker op het landgoed. De avondlucht is afgeladen met een dik wolkenpak vol sneeuw. Dikke vlokken jagen door het licht van Harleys zaklamp als zij zich een weg baant tussen de marktkramen op het binnenplein. Ze moet goed uitkijken dat ze niet struikelt , want onder de sneeuw liggen her en der nog losse kabels feestverlichting voor de Midwintermarkt. Al de hele week zijn er werklui in de weer om alles klaar te maken. Overmorgen begint het feest. “Waldo’s Winter-Wonderfair” had ze haar moeder vanmorgen nog gekscherend tegen iemand horen zeggen. Want de wintermarkt was Waldo’s idee geweest. Hij zou die markt hebben opgedrongen aan opa, die eigenlijk helemaal niet zat te wachten op een winterkermis.
Bij de gedachte aan Waldo lopen de rillingen over Harleys rug. Ze had gisteren nog gehoord hoe gemeen hij tegen de werklui was. Toen wist ze het zeker… het is waar wat Rabbi had gezegd: Waldo voert iets in zijn schild.
Gehaast laat Harley de markt achter zich en loopt over het besneeuwde gazon van de parktuin in de richting het hek dat de tuin scheidt van het bosdomein.
Als ze bijna bij het hek is, neemt ze een aanloopje en rent in twee grote passen tegen het gaas op. Handig pakt ze de bovenste rand en trekt zich omhoog tot ze helemaal op het hek zit. Behendig springt ze er aan de andere kant weer vanaf. Dan trekt ze haar muts nog eens verder over haar oren en loopt het bos in.
Hopelijk kan ze Rabbi vinden. Ze móet hem echt alles vertellen wat ze vanmiddag over Waldo te weten is gekomen.
Stevig stapt ze door. Sneeuwvlokken tikken zachtjes tegen haar wangen. Het sneeuwt veel minder hard dan vanmiddag, maar een dik pak kraakt onder haar voeten bij elke stap en ook hier kijkt ze goed waar ze loopt.
In het licht van haar zaklamp ziet ze de sporen van vogelpootjes. Dan schijnt ze om zich heen. Het bos is prachtig. Ineens valt haar oog op het verse spoor van een haas. Even stopt ze. Met het licht volgt ze de kleine pootafdrukken in de sneeuw tot het spoor ophoudt bij een grote rozenbottelstruik. Plotseling hoort ze een zacht gesnik.
‘Oh help me, oh help me’, klinkt er besmuikt onder de struik.
Harley dimt haar licht.
Ze spitst haar oren. Die stem! Die kent ze!
‘Spruit?’ zegt ze aftastend. ‘Spruit, ben jij dat ?’
Het snikken stopt.
Voorzichtig loopt Harley naar de struik.
Ze knielt en met haar zaklamp schijnt ze onder de laagste takken.
Daar ziet ze de kleine Spruit zitten. Bibberend. Ineengedoken van angst en met zijn pootjes over zijn ogen.
“Maak me alsjeblieft niet dood!’, smeekt hij.
‘Ik ben het Spruit, Harley’, zegt Harley, ‘ik doe je niks.’
Angstig gluurt de kleine haas langs zijn pootjes naar Harley.
‘Harley?’
‘Ja Spruit, ik ben het! Je bent veilig.’
Opgelucht richt Spruit zich op.
‘Waar is Rabbi?’ vraagt Harley bezorgd
‘Weet ik niet’, zegt Spruit.
‘Weet ik niet?’
‘Nee.. We waren onderweg naar jou. En toen ben ik hem kwijtgeraakt.’
‘Onderweg naar mij? Dat lijkt me niet handig voor twee hazen in deze tijd van het jaar. Er kunnen overal vallen en strikken verstopt zijn onder de sneeuw. Het is levensgevaarlijk.’
‘Ja, maar Rabbi had een droom gehad, zei hij. Hij wilde je daarna zo snel mogelijk spreken. Het was erg belangrijk, zei hij. Daarom zijn we toch gegaan. Maar het sneeuwde zo hard dat ik hem soms niet kon zien, en ineens was hij weg. Ik heb heel vaak geroepen, maar hij kwam maar niet.’
‘Nou. Je zult wel enorm geschrokken zijn denk ik.’
‘Spruit knikt. Ik ben heel blij dat je mij gevonden hebt.’
‘Ik ook’, zegt Harley, ‘en weet je wat? We gaan samen Rabbi zoeken. Vind je dat een goed idee?’
Spruit knikt.
‘Kom maar hier’, zegt Harley, ‘dan mag je in mijn rugzak.
Ze doet haar rugzak af en ritst hem open. Dan wikkelt ze haar shawl van haar nek en legt die op de bodem, en zet de tas voor haar voeten op de grond.
‘Kom maar, zegt Harley. Ze trekt de kleine haas voorzichtig naar zich toe en zet hem bovenop de zachte wol. ‘Zo. Word jij maar lekker warm.’
Ze staat op en hangt de rugzak half geopend op haar buik. Spruit steekt met zijn kop precies boven de rits uit.
‘We gaan eerst we kijken of hij bij jullie leger is,’ zegt Harley. ‘Misschien is hij ernaar teruggegaan in de hoop dat jij daar ook naar teruggaat. En als hij daar niet is, zoeken we verder.’
‘Weet jij dan de weg in het donker?’ vraagt Spruit.
‘Ik denk het wel’, zegt Harley.
Samen lopen ze verder door het donkere stille bos.
‘Rabbi!’, roepen ze om de beurt. ‘Waar ben je?!!’
‘Spruit!!!’, klinkt het ineens heel dichtbij en plots schiet Rabbi voor Harleys voeten.
Verbaasd kijkt hij naar de kleine haas in de tas op Harleys buik.
‘Spruit! Goddank!’ zegt hij. ‘Waar was je?’
Dan kijkt hij naar Harley. ‘Oh Harley,’ zegt hij ‘ ik ben je zo dankbaar. We waren onderweg naar jou. Het sneeuwde zo hard, en ineens was ik hem kwijt.’
‘Spruit vertelde het’, zegt Harley.
‘Ik ben me doodgeschrokken. Ik ben zo ongerust geweest!’
‘Dat kan ik me goed voorstellen’, zegt Harley.
‘Maar nu is het weer helemaal goed, want jullie hebben elkaar weer gevonden!’
Ze knielt, zet haar rugzak op de grond en opent de rits iets verder.
Spruit kijkt Rabbi boos aan.
‘Ik geloof je nooit meer. Jij zei dat er niks kon gebeuren!’
‘Ja, als je bij me in de buurt zou blijven’, verdedigt Rabbi zich.
‘Maar ik kon je niet eens zien, zo hard sneeuwde het!’, zegt Spruit verbolgen.
‘Je hebt gelijk Spruit’, zegt Rabbi schoorvoetend ‘Ik had beter op je moeten letten. Het spijt me echt. Sorry.’
‘Ik heb niks aan ‘sorry’. Ik was bijna dood. Je hebt gejokt. Net als je verhaal over de midwinterhaas. Dat hij met zijn oren kan vliegen en kadootjes komt brengen.’
Verlegen kijkt Rabbi naar zijn voeten.
Mokkend hipt Spruit uit de tas, maar de sneeuw is zo diep dat hij er helemaal in wegzakt. Alleen zijn oren steken nog boven de sneeuw uit.
Harley en Rabbi schieten in de lach.
‘Lach niet,’ tiert Spruit.
Harley tilt hem op, en veegt de sneeuw van zijn vacht. Ze stampt de sneeuw voor haar voeten plat en zet de kleine haas weer op de grond.
‘Ik houd niet van sneeuw’, moppert hij.
‘Dat snap ik,’ zegt Harley.
‘En ik houd ook niet van het donker!’ zegt Spruit om er nog een schepje bovenop te doen.
‘Ach,’ zegt Rabbi. ‘Maar het donker brengt ook mooie dingen, toch? Zonder het donker zouden de sterren nooit zo mooi stralen aan de hemel’.
‘Nou het is nu anders pikdonker, of zie jij nu soms een ster aan de hemel schijnen?’ zegt Spruit nog altijd boos.
Precies op dat moment valt plotseling een waterval van gouden licht over het bos. Alles licht op.
Verbaasd kijkt het drietal naar boven. Een immens grote ster schittert tussen twee grote wolken aan de nachtelijke hemel.
‘Ik wist het!’, prevelt Rabbi, ‘Ik wist het!’
‘Wat is dat voor een ster?’, zegt Harley vol ontzag. Zo helder heeft ze nog nooit een ster zien schijnen.
‘Deze ster is veelbelovend, Harley. Het is een teken’, zegt Rabbi.
‘Hoe bedoel je?’, vraagt Harley.
‘Soms vertellen de sterren dat er iets bijzonders gaat gebeuren.’
‘Zeker zoiets als met de ster van Bethlehem?’ Een kritische toon klinkt door in Harleys stem.
‘Bijvoorbeeld’, zegt Rabbi.
‘Mijn moeder zegt dat dat verhaal gewoon verzonnen is.’
‘In de mensenwereld is niets zeker’, zegt Rabbi. ‘In de geschiedenis is er teveel verzonnen, maar een ding weet ik wel, Harley… Jíj bent de belofte waar de wereld op heeft gewacht.
En de dag is nabij dat jij ieder wonder wat je wenst tot waarheid zal laten verrijzen. Voor altijd zal jouw licht al het donker op de wereld bezweren. Zelfs het donker in het hart van Waldo…’
Een rilling loopt over Harleys rug bij de gedachte aan die engerd.
‘Maar hoe moet ik dat allemaal doen?, zegt ze zacht. ‘Ik ben nog maar een kind.’
‘Vertrouw maar, Harley’, zegt Rabbi. ‘Wend je hart naar het licht en je zult de weg vanzelf vinden.’
