
‘Ik win! Ik win!’
Een opgewonden jongensstem klatert door het kale winterbos.
‘Helemaal niet!’ lacht een diepe oudere stem. ‘Wacht maar! Ik haal je zo in!’
Harley schrikt op. ‘Hoe kan dit? Wie zijn dit? De poorten van het park zijn nog dicht. Niemand mag het park buiten de bezoektijden binnen. De natuur heeft ook rust nodig!’
In rap tempo komt het gelach steeds dichterbij. Het geluid van takken die breken en gevallen blad dat knispert onder sprintende voetstappen, snijdt door de stilte van de vroege morgen. Harley perst haar lippen op elkaar. Ze kookt van woede. Ferm zet ze haar handen in haar zij. Ze zal deze indringers eens flink de waarheid vertellen.
Plotseling stuift, een paar meter verderop, een kleine haas met veel kabaal uit de bosjes, op de voet gevolgd door een grote haas. Vlug duikt Harley achter een dikke boomstam die tussen de varens voor haar op de grond ligt. ‘Zie je!’, denkt ze verbolgen, ‘Die hazen zijn dus op de vlucht geslagen door al dat kabaal.’ Zittend op haar knieën spiedt ze over het randje van de boom naar de opgejaagde hazen. ‘Gelukkig hebben ze me niet gezien’, denkt ze. ‘Anders zouden ze misschien nog meer in paniek raken.’
Met grote sprongen rennen de twee dieren dwars over het open veld in een rechte lijn naar de kop van de bocht van de rivier. Vlakbij de oever neemt de grote haas een reuzesprong, en vliegt met een sierlijke boog over de kleine haas. Harley houdt haar hart vast. ‘Hij springt toch niet het water in? Het water is nog veel te koud’, denkt ze. Maar meteen na de sprong, zet de haas zijn hakken diep in het zand. Een klein stukje glijdt hij door, maar precies aan de rand van de oever staat hij abrupt stil. Meteen duwt hij zijn neus in het water. Met een natte snuit draait hij zich triomfantelijk om naar de kleine haas die net achter hem tot stilstand is gekomen. ‘Ik heb gewonnen!’ roept de oude haas. ‘Dat had je niet gedacht he?’ De ochtendzon schittert over zijn kop. Zijn diepgrijze pels verraadt dat hij op al leeftijd is, maar verder oogt alles jong aan deze haas. Op zijn kruin, net achter zijn oren tekent zich een grote witte stip in zijn pels. Alsof hij een klein wit keppeltje op zijn hoofd draagt. Harley’s adem stokt. ‘Dit kan toch niet?’ , denkt ze. ‘Die stip op zijn kop, die stem… Dit is Rabbi! De haas van de foto. De haas waar ze zo vaak over gedroomd had. Tenminste, toen ze klein was. Want de laatste jaren was het niet zo vaak meer voorgekomen. Maar vroeger kwam Rabbi haar vaak in haar dromen bezoeken. Soms zaten ze dan gewoon naast elkaar en keken naar de wolken of plukten ze appels, soms vertelde Rabbi een verhaal, maar altijd, in iedere droom, speelden ze samen tikkertje. En altijd won de haas. Maar dat vond ze niet erg, want hij tikte haar dan op haar hart en zei : ’Jij bent ’m!’ En direct daarna voelde ze een tintelende golf van warmte en liefde door zich stromen. En met dat onbeschrijfelijke gevoel werd ze de volgende ochtend wakker en voelde zijn nabijheid in haar hart. En dan wist ze zeker dat ze hem ooit weer in het echt zou ontmoeten.
Maar dat gebeurde niet. En op een dag, ze zal een jaar of acht geweest zijn, had ze aan haar moeder gevraagd wanneer ze nou weer eens naar opa en oma zouden gaan. Haar moeder fronste haar wenkbrauwen en zei: ‘Voorlopig niet. Je weet dat ik ruzie heb met oma.’ ‘Maar ik wil weer met die haas praten’, had Harley geprotesteerd. En haar moeder had oprecht hartelijk gelachen ‘Die pratende haas!’ riep ze uit, ‘Dat kan toch niet? Ik denk dat je fantasie met je aan de loop is gegaan door die hazenfoto in je album. Je hebt er vast te vaak naar gekeken.’
Vanaf toen had Harley getwijfeld aan de echtheid van haar dromen. Want het was waar: heel vaak had ze naar die foto gekeken. Die fascineerde haar, vooral omdat er zo’n mooi verhaal bij hoorde. Op de foto is Harley is bijna vier jaar. Rechtop zittend op haar knieën in de tuin van opa en oma kijkt ze boos de camera in. Met een handje wijst ze naar de rand van de foto. Daar waar de tuin van het landgoed overgaat in het park, rent een grote haas. Het verhaal gaat dat opa foto’s aan het maken was in de tuin, en dat hij Harley had meegenomen. En terwijl hij aan het fotograferen was hoorde hij op een zeker ogenblik de kleine Harley lachen en praten achter de grote wilg aan de rand van de tuin. Hij keek om, en zag Harley op haar knieën zitten, pratend tegen een grote haas die naast haar op zijn achterpoten stond. Hun hoofden op gelijke hoogte. De haas stak zijn poot uit, en legde die op Harley’s hart. Harley aaide zijn kop. Opa wilde het magische moment vastleggen op de camera, maar nog voordat hij het toestel opgericht had, kreeg de haas hem in de gaten en vluchtte het bos in. ‘Nou heb je Rabbi weggejaagd!’, had Harley verontwaardigd uitgeroepen.
…
‘Maar dit is niet eerlijk Rabbi!’ roept de kleine haas boos. ‘Jij hebt veel langere benen!’ Uit onmacht stampt hij driftig met zijn achterpoten op de grond. De oude haas lacht. ‘Wacht maar, het zal echt niet lang meer duren voor jij mij in zult halen.’ Daarna draait hij zich om en tuurt over het water. De rivier is rustig.
Mokkend blijft de kleine haas achter hem zitten.‘Ik vind het hier stom’, zegt hij na een tijdje ‘Waarom wilde je hier zo nodig naar toe?’ De grote haas draait zich om.‘Kom eens naast me zitten, Spruit’, zegt hij. ‘Dan zal ik het je precies vertellen.’ Schoorvoetend hipt de kleine haas naar de oever, en gaat naast de oude haas zitten. ‘Deze bocht van de rivier is voor de hazen in ons bos een belangrijke krachtplek’, begint de oude haas. ‘We komen hier om de kracht te ontvangen waarmee we onze diepste dromen kunnen waarmaken.’ ‘Hoe bedoel je?’, vraagt de kleine haas nog altijd stuurs. ‘Nou, Spruit’, zegt de oude haas, ‘We dromen er allemaal van om mooie dingen in ons leven mee te maken. Toch?’ De kleine haas knikt. ‘Die dromen’, vervolgt Rabbi , ‘vertellen de waarheid over onze diepste verlangens. Maar toch vinden velen van ons het lastig om die dromen waar te maken. De meesten durven hun droom niet te leven. Belemmerd door de overtuiging dat sommige dingen wel en sommige dingen nou eenmaal niet kunnen. Dat is zo zonde. Want alleen wie durft te vertrouwen dat alles mogelijk is zal zijn dromen waarmaken. En op deze plek, hier in de bocht van de rivier kunnen we precies die kracht ontvangen die er voor zorgt dat wij onze dromen waar kunnen maken.’ Spruit staart in het water langs de oever. Afgebroken stukjes riet dansen op de golven die tegen de kant klotsen. ‘Maar waarom hier?’, zegt hij. ‘Ik zie hier niks bijzonders.’De oude haas glimlacht. ‘Dat klopt. Er is hier ook niets meer te zien. Maar 400 jaar lang lag hier in de bocht van de rivier, tussen het riet, een groot geheim verscholen. Geschreven in de taal van het hart, op een onvernietigbaar tablet. Acht jaar geleden is het gevonden door mensen, en meegenomen. Sinds die dag moeten wij het zonder het tablet doen. Maar gelukkig hebben de woorden van het geheim zich in ons hart gegrift. Nog altijd geloven wij in de boodschap en de kracht van het geheim van ieder wonder. ‘Het geheim van ieder wonder?’, vraagt Spruit met grote ogen. ‘Ja’, zegt de oude haas, ‘Het heilige geheim dat vertelt dat we erop kunnen vertrouwen dat alles mogelijk is, en dat alles in het leven op aarde uiteindelijk goed zal komen. Want op een dag komt de grootmagiër die het paradijs op aarde zal ontsluiten. Het paradijs van ieder wonder… Het paradijs waar ieder wonder wat je wenst onmiddellijk de waarheid wordt.’ Rabbi straalt terwijl hij de woorden uitspreekt.‘Stel je eens voor, lieve Spruit’, zegt hij , ’dat we op een dag voor altijd in het paradijs vol wonderen zullen leven.’
‘Wonderen bestaan niet’, zegt Spruit.Verrast kijkt Rabbi naar de kleine haas. ‘Ja’ ,zegt Spruit. ‘Eerst zien, dan geloven, zei mijn vader altijd.’ ‘Zei hij dat echt?’ vraagt Rabbi. Spruit knikt stellig. ‘Je moet op je verstand vertrouwen, zei mijn vader.’ ‘Maar vind je ons verstand dan geen wonder? Dat wij kunnen denken? Dat jij sommen kunt maken? Dat ik je leer hoe je sterren kunt lezen?’ Spruit haalt zijn schouders op.‘Dat is geen wonder. Dat is gewoon logisch.’ ‘Tja,’ zegt Rabbi. ‘Je kunt geloven dat niets een wonder is, of je kunt geloven dat het hele leven een wonder is. Dat mag iedereen zelf weten. Jij dus ook.’ Dan geeft hij de kleine haas een aai over zijn kop, en sluite zijn ogen.
‘Wat doe je eigenlijk?’, vraagt Spruit na een tijdje.
‘Ik vraag kracht om mijn droom waar te maken.
‘Welke droom?’ vraagt Spruit onwillig. ‘De droom waarin ik de grootmagiër spreek’ , zegt Rabbi. Een diepe ernst klinkt in zijn stem. ‘Ik vraag kracht om deze droom snel waar te maken, want het is echt de hoogste tijd dat er wordt ingegrepen. De aarde is in groot gevaar.’‘Hoe bedoel je?’ Spruit fronst zijn voorhoofd.‘Nou’, zegt Rabbi, ‘er is een kwade kracht die ervoor wil zorgen dat het paradijs zich op aarde nooit meer kan ontsluiten. Als Harley niet ingrijpt met de magie van het geheim van ieder wonder, kan deze kwade kracht over de aarde gaan heersen. Dan zal de aarde in donkere nevelen gehuld worden. Het is vijf voor twaalf. We moeten ervoor zorgen dat Harley zich bewust wordt haar grote taak. Want alleen zij kan het kwaad voor altijd verslaan. Tenminste, als wij op tijd zijn. ’
‘Harley?’, vraagt Spruit.‘Ja, Harley Zwaantje van Cygnus. Zij is de grootmagiër.’
‘Ken jij de grootmagiër?’ vraagt Spruit ontzet. Rabbi knikt. ‘Ze is de kleindochter van de baron en de barones. De rentmeesters van dit landgoed. Je weet wel, waar ik over heb verteld.’
‘Een mens?!’ roept de kleine haas ontsteld.
‘Ja, de grootmagiër is een mensenkind.’ Rabbi grinnikt om het gezicht van Spruit.
‘Ik houd niet van mensen’, zegt Spruit vol afgrijzen. ‘Ze hebben mijn hele familie meegenomen!’
…
Een rilling trekt over Harley’s rug. Van achter de boom heeft ze alles gehoord wat de hazen tegen elkaar zeiden. Dit ging over haar. Ze knijpt zichzelf nog eens in haar arm. ‘Droom ik nou, of is dit echt?’ ,vraagt ze zich af.
Plotseling klinkt een doffe knal aan de overkant van de rivier. Met veel kabaal en geklapper vlucht een grote groep wilde ganzen de lucht in. ‘Jagers!’ schrikt Rabbi. ‘Rennen Spruit! Rennen!’, zegt hij. De twee hazen draaien zich abrupt om, en in een rechte lijn vluchten ze terug naar de bosrand waar Harley nog altijd achter de boomstam verstopt zit. Harley duikt ineen om zich zo klein mogelijk te maken. Ze wil absoluut niet dat de dieren straks ook nog van haar schrikken. Met haar rug gebold als het schild van een kever wacht ze af. Haar hart klopt in haar keel.
Ze hoort de hazen tussen de varens rennen. Ze komen steeds dichterbij. Vlakbij de boomstam waarachter Harley zich schuil houdt roept Rabbi: ‘Springen Spruit! over die stam!’ Harley knijpt haar ogen stijf dicht en krult zich nog verder op. Ze houdt haar adem in. Ineens voelt ze hoe scherpe nagels door de wol van haar trui over haar rug krassen. Verschrikt kijkt ze over haar schouder. Aan het schouderstuk van haar trui hangt Spruit vastgehaakt met een van zijn nagels. Hij spartelt voor zijn leven. ‘Aauwww’, kermt Harley. Een scherpe pijn prikt in het vel van haar rug. Onhandig hengelt ze met een arm naar de spartelende haas achter zich, en probeert ze het pootje los te maken van haar trui.
Spruit gilt als een speenvarken.‘Help!’ roept hij, ‘Rabbbiiii! help me!!’ Geschrokken draait Rabbi zich om in zijn vlucht.‘Rustig! rustig’ , maant Harley de kleine haas. ‘Als je zo spartelt kan ik je nooit losmaken.’ Rabbi verstijft als hij Harley met Spruit bezig ziet.
Harley gaat iets rechterop zitten. Ineens schiet de nagel van Spruit los uit Harleys trui. Hij valt op de grond en spurt er vandoor. Opgelucht volgt Harley zijn vlucht door de varens tot haar ogen plotseling de verbijsterde blik kruisen van de oude haas. Met grote ogen kijkt hij haar aan. Spruit vlucht snel achter zijn rug. ‘Harley?’ vraagt de oude haas vol ongeloof in zijn stem. ‘Jij bent het toch?’ Harley’s hart klopt in haar keel. Haar knieën doen pijn van het zitten al die tijd. Aarzelend hipt de grote haas op haar af. Trillend blijft Spruit achter. Als Rabbi vlakbij Harley is, richt hij zich op. Staand op zijn achterpoten reikt zijn kop tot Harleys schouders.‘Ken je me nog?’ vraagt hij aftastend.
‘Ben jij Rabbi uit mijn dromen?’ stamelt Harley.‘Jah! Ik ben het!’, zegt de haas. Een grote glimlach verschijnt op zijn gezicht. ‘Het is niet te geloven’ zegt hij. ‘Je bent nog altijd zo prachtig als toen ik je in je dromen mocht bezoeken.’Stralend kijkt hij achterom. ‘Spruit!’ roept hij ‘Kom! Het is goed!’ Aarzelend hipt de kleine haas dichterbij. Harley kijkt van de kleine naar de grote haas. Voor de zoveelste keer die morgen, knijpt ze in haar arm. ‘Droom ik dit?’ vraagt ze nu hardop. ‘Nee Harley’, zegt Rabbi, ‘dit is echt. Net zo echt als de dromen waarin we samen waren.’ Dan legt hij zijn poot op haar hart. ‘Jij bent ’m’, zegt hij. En direct daarna voelt Harley, net als vroeger in haar dromen, een tintelende golf van warmte en liefde door zich stromen. Haar hart opent zich, en ze weet dat dit de waarheid is. ‘Het is een wonder’ , stamelt ze beduusd. ‘Ja’, zegt de oude haas, ‘een prachtig wonder.’Vol ontzag kijkt de kleine Spruit op naar Harley en naar zijn leermeester. ‘Een wonder’, fluistert hij. ‘Echt wel.’