Vlinder

 

 

Een deur klapt dicht. Harley kijkt achterom. De kerk zit vol met mensen die ze niet kent.

Mannen in pakken, vrouwen met hoeden. Dat opa belangrijk was geweest, wist ze wel. Maar dat er zoveel mensen zouden komen?

Harley voelt een por in haar zij. Verstoord kijkt ze haar moeder aan. Ze dept haar neus met het propje van een papieren zakdoek.

‘Wat?!’ zegt Harley verongelijkt. Net iets te hard. Haar moeder fronst haar wenkbrauwen en gebaart met een vinger naar haar lippen.

Op dat moment zet het orkest zacht in. De muziek schrijdt met statige pas de ruimte in. De klanken zwellen aan en in een paar maten vult zich het hele corpus van de kathedraal. Het schip, het koor, de zijbeuken, vanuit alle hoeken weerklinkt de muziek. Tranen prikken achter Harley’s ogen.

Opeens ziet ze iets wits fladderen door de lucht boven het altaar. Een vlinder! Een vlinder, midden in de winter, hoe was het mogelijk? Haar adem stokt. De vlinder tuimelt door de lucht. Klimt, en valt, en klimt.

Wat een wonder. Hoe kon het toch? Dat zo’n klein beestje net zo levend was als zij? In de zomer had ze vroeger wel eens rupsen gevangen in een glazen pot met gaatjesplastic er overheen. En ze had gezien hoe ze een cocon sponnen waar ze weken later uitkropen. Zo mooi. En zo bijzonder ook, dat er uit zo’n rups zoiets moois kon ontstaan.

Plotseling duikelt de vlinder naar beneden en strijkt neer op een van de bloemen op de kist.

Haar moeder knijpt in haar hand en glimlacht door haar tranen.

Gelukkig. Ze had het ook gezien.

 

 

Plaats een reactie