fragment uit: Het geheim van ieder wonder
Voorzichtig duwt Harley tegen de zware deur. Hij kraakt.
Als hij ver genoeg open is, glipt ze naar binnen.
Ze komt eigenlijk nooit in de kerk.
In een nis branden kaarsjes bij een Madonna met kind.
Ze loopt door naar de volgende grote deur.
Dicht. Ze kijkt om zich heen.
Dan ziet ze dat de kleine deur net om de hoek op een kier staat.
Ze loopt ernaar toe, en kijkt even door de spleet de kerk in.
Zonlicht schijnt door de hoge gebrandschilderde ramen.
Ze doet de deur zachtjes nog verder open.
Het ruikt naar koude stenen.
Dan stapt ze de grote ruimte in.
Het is stil
Haar blik zoekt over de grond.
Ze hoort hoe het nylon van haar jas tsjilpt bij elke pas die ze zet.
‘Rijken’, denkt ze. ‘ In de kerk liggen rijke stinkerds’, en ze voelt met de zool van haar schoen over het reliëf van de uitgebeitelde letters van het graf waarop ze staat.
‘Nu sta ik op een dooie’, grinnikt het in haar hoofd.
Dan loopt ze door.
Bij een klein zijaltaar branden een paar kaarsjes.
Ze loopt nog verder door.
Vooraan, bij het hoofdaltaar, stopt ze.
Ze kijkt omhoog. Op een boog boven het altaar staan Latijnse woorden.
Het is hoog. Heel. Hoog.
Dan gaat ze zitten op een van de twee voorste banken.
Op dat moment begint het orgel te spelen.
Harley zoekt. ‘Waar zit het orgel?’
Het geluid komt uit de achterkant van de kerk.
Ze draait zich om. Dan ziet ze tegen de muur, hangend onder het orgel, het ornament van een grote opengeklapte jacobsschelp. In het midden van de onderste schelp is een Christuskruis afgebeeld. Haar adem stokt. Waar had ze dit eerder gezien?
Zou de parel van Ieder Wonder hier verstopt zijn?
Met een kloppend hart staat ze op.
Half rennend loopt ze kleine snelle geluidloze pasjes terug richting de ingang van de kerk.
Haar jas piept bij elke pas.
De muziek blijft spelen.
Harley’s ogen spieden naar de opgang die naar het orgel leidt.
Aan de zijkant, rechts. Daar kun je het balcon op.
Op haar tenen, maar zo snel mogelijk, rent ze de trap op.
Een oude man met een lange grijze baard zit achter het orgel. Zijn ogen zijn gesloten. Aan zijn broekriem hangt een hazenpoot.
Harley kijkt naar alle registerknoppen en de etages met klavieren waarover zijn stramme vingers hameren. Een sandaal schuift geruisloos over de voetpedalen.
.Ze hoort hoe de muziek zachtjes uitblaast op het einde.
De man opent zijn ogen, wendt zijn gezicht naar haar toe en glimlacht
‘Vind je het mooi?’ ,vraagt hij.
‘Ja’ , stamelt Harley.
‘Wil je ook?’
En hij gebaart haar op het bankje te komen zitten.
Harley schudt nee.
‘Nee?’
‘Nee. Mijn benen zijn te kort. Ik ben klein voor mijn leeftijd’, zegt ze.
‘Maar dan doe ik de pedalen’ , zegt de man.
‘Nee’, zegt Harley, en ze schudt nog eens kort maar duidelijk haar hoofd.
‘Dan kom je nog maar eens een keer als je gegroeid bent’ . zegt de man en hij duwt twee registerknoppen terug naar binnen.
‘Waarom kwam je hier eigenlijk kijken?’
‘ ik zoek iets’, stamelt Harley
‘Ah?’, zegt de man vriendelijk: ‘ Quaerite et invenietis’,
‘Wat?’ Harley
‘Mattheus 7:7. Dat is het vers dat hier boven de ingang van deze basiliek staat.
Het betekent: “Zoekt en gij zult vinden”.’
‘ Ah ‘ Harley kijkt de man glazig aan.
‘En mag ik dan weten wat je hier eigenlijk zoekt?’
Harley’s gezicht wordt rood.
‘Misschien dat?’ zegt de man. Hij gooit met een handige draai zijn beide benen tegelijk over het bankje en knikt naar de muur waarop een in krullerige letters een tekst is geschreven.
Harley begint te lezen.
‘Wij allen zoeken in ons leven,
Naar de eeuwigheid der liefde ‘
Deze zinnen kent ze! Dat is het vers uit de Legende van Ieder Wonder. De legende van het landgoed van haar familie.
Met kloppend hart draait ze zich om naar de organist
Maar hij is weg.
Verdwenen.
Opgelost.
Haar ogen zoeken naar een verklaring.
Ze kijkt rond in de kleine ruimte van het klavier.
Ze kijkt naar het balcon.
Niks. Niemand.
Hoe kan dat? In twee zinnen tijd is de man helemaal weg.
Gespannen loopt ze naar het balcon en kijkt over de leuning de kerk door..
‘Hallo?’, roept ze aarzelend.
Er is echt niemand in de kerk.
Met de adem hoog op haar borst loopt ze terug naar het klavier.
Weer kijkt ze naar de tekst die de man haar net had aangewezen.
‘Wij allen zoeken in ons leven,
Naar de eeuwigheid der liefde ‘
Wij Allen zoeken naar de weg.
Die het verborgen paradijs ontsluit
Wij zoeken de hof der hemelen,
Waar de bron van Ieder Wonder huist
Maar waar de weg gaat
Blijft een groot mysterie
Doch niet voor jou, bijzonder kind.
Jij kent het pad en al haar raadselen
Die ons leiden naar de poort der poorten
Waarachter de bron van Ieder wonder ontspringt.
Jij bent de enkeling, die alles hiervan weet. ‘
In de kerk klapt een deur dicht. Harley schrikt.
Voetstappen klinken op de trap naar het balcon.
‘Hallo?’ hoort ze een vrouwenstem.
‘Hallo?’ antwoordt Harley voorzichtig.
Een mevrouw met een schoonmaakschort komt het balcon op.
‘Wat doe je hier?’, vraagt ze wantrouwend.
Harley stapt het balcon op.
‘Ik zocht de organist’, zegt ze.
‘Organist? Die is er alleen op woensdagmiddag en op zondag’
‘Ah’, zegt Harley onnozel
‘Dan ga ik maar’.
Nog een keer kijkt ze achterom naar het vers op de muur.
De tekst uit de legende.
De muur is wit.
De tekst is weg.
Verward loopt Harley snel achter de mevrouw aan. De trap af.
‘Wat stond daar nou als laatste op de muur? : Jij bent de enkeling, die alles hiervan weet?’
In haar hoofd spoelt ze achteruit naar de tekst zoals ze die kende uit de legende.
Die eindigde anders: die eindigde met : ‘ZIJ is de enkeling die alles hiervan weet, ZIJ kent het geheim van Ieder Wonder.’
‘ZIJ?’
‘Jij?’ Wat betekende dit? Ging het over haar?
Rennend zoekt ze de kleine deur waardoor ze de kerk was binnengekomen, en glipt naar buiten.
Met een kloppend hart rent ze naar haar fiets. Gehaast zoekt ze haar fietssleutel, stopt hem in het slot, springt op haar fiets en begint te fietsen. Naar huis.
Nog een keer kijkt ze achterom.
Boven de ingang van de kerk staan de woorden die de man sprak.
Quaerite et invenietis.
Zoekt, en ge zult vinden