Reza

96e7e3783fd3321915d25ef61027840c

Reza (de eerste Grootmagier van Ieder Wonder)   –  fragment

De zon is al even verdwenen achter de bergen en langzaam wordt het donker.
Artaban herschikt de stenen op de kleine vuurplaats.
De kleine Reza ligt op zijn buik tussen twee schapenvachten. Zijn kin rust op zijn handen. Bedremmeld kijkt hij naar de klaproos die met zijn kop slap over het randje van de waterkruik hangt.
‘Waarom hangt hij zo raar?’
Artaban kijkt naar de bloem. ‘Misschien is hij geschrokken’ ,zegt hij.
Verbaasd kijkt Reza op. ‘Waarvan?’
‘Dat hij geplukt is. Hij is weg van zijn wortels.’
‘Maar hij heeft toch water?’
‘Dat is waar’ , zegt Artaban.
‘Morgen gaat het vast beter met hem.’

Vertwijfeld kijkt Reza naar de bloem.
‘Misschien is zijn hoofd te zwaar’, denkt hij hardop.
‘Misschien’ zegt Artaban. Hij pakt wat takken uit de mand en schikt ze voor het kampvuur. Plots springt Reza op. Hij rommelt wat in de mand en loopt weer terug. Dan gaat hij op zijn knieen voor de bloem zitten.
Voorzichtig friemelt hij met de punt van een twijg in de kier van de bloemknop. Beetje bij beetje lukt het hem de groene schil die als bescherming over de nog slapende kelk ligt, los te wrikken.
Verwonderd kijkt Artaban toe.
‘Wat doe je eigenlijk?’ , vraagt hij na een tijdje.
‘Hij moet open!’ moppert Reza ongeduldig. ‘Het was de grootste bloem. Hij moet gaan bloeien.’
Driftig pulkt hij verder.
Dan valt plotseling de  groene schil in tweeen voor zijn knieen. ‘Zo’, zegt hij. En tevreden kijkt hij naar de bloem. De nog dicht op elkaar gevouwen rode bloemblaadjes bibberen geschrokken in de wind.
Artaban glimlacht even naar Reza, en richt zijn blik weer naar de sterrenhemel. De lucht is helder, maar in de verte dreigt een zwaar wolkendek. Als dat dek hun kant op drijft zouden ze vanavond niet veel sterren zien.

‘Waarom gaan zijn blaadjes nou niet open?’
Reza klinkt geprikkeld. ‘Hij heeft toch water?’
Artaban gooit een tak op het vuur.
‘Weet, jongen’ , zegt hij, ‘ Een bloem is als een mensenhart. Zijn kelk gaat pas open als hij genoeg licht heeft ontvangen om het leven te begrijpen. Alleen het zonlicht kan een slapende bloem wakker kussen. Verder niemand. En kijk eens hoe donker het nu is…’. Artaban wijst naar de sterrenhemel. Behalve bij het kampvuur is het verder aardedonker op de berg.
‘Maar morgen dan?’ zegt Reza beteuterd. ‘Morgen is de zon er weer.’
‘Het kan.’ zegt Artaban. ‘Als hij morgen genoeg licht heeft gaat hij open. Wanneer dat is weet de bloem alleen. Geen bloem kun je dwingen wakker te worden.  Je kunt ertegen praten, je kunt roepen dat het hoogste tijd is om op te staan.  Je kunt zijn kelk openbreken en jij zult denken dat je hem geholpen hebt, dat je hem ontwaakt hebt. Maar de blaadjes zijn geknakt aan de rand van zijn hart. De bloem zal nooit zo prachtig bloeien als je hoopt. Alleen de bloem die zelf ontwaakt zal eeuwig bloeien.’
Reza lijkt het niet te horen.
‘Ik denk dat hij morgen bloeit’, zegt hij vastbesloten.
‘We zullen het vanzelf zien’ zegt Artaban. ‘Ga nu maar gauw slapen, dan duurt het wachten niet zo lang.’

Moe van de dag kruipt Reza tussen de twee schapenvachten. Artaban strijkt hem door zijn bruine krullen en al snel valt de kleine jongen in slaap.
Al kijkend naar de puurheid van dit kind wordt Artaban overvallen door een gevoel van intense dankbaarheid.
Wat een geschenk dat hij Reza onder zijn vleugels kreeg. Alweer meer dan vier jaar geleden. Een peuter was hij nog. Gered uit een brandend huis. Niemand die voor hem had willen zorgen. Vervloekt zou hij zijn, dit kind met een gespleten bovenlip en de ogen van een ziener.
Artaban wist niet waar de mensen nou het meeste bang voor waren geweest, de gespleten bovenlip of Reza’s saffierblauwe ogen die dwars door iedere ziel heen keken.
Het had hem in ieder geval diep geraakt dat mensen zich zo door hun domme angst hadden laten leiden. Hoe kan een kind nou ongeluk brengen?
Als man alleen, van middelbare leeftijd en zonder eigen kinderen had hij dagen gezocht naar een liefdevol onderkomen voor dit kind. Maar na de zoveelste laffe smoes wist Artaban dat hij het zelf moest doen. En zo was de voorspelling waar hij zich lang geleden fel tegen had verzet, tegen alle verwachting uitgekomen: de haas had toch een hazenzoon gekregen.

Gelukkig bleek al snel dat de angst die mensen aanvankelijk voor de kleine Reza hadden zakte. Niet alleen omdat men zoveel vertrouwen had in Artaban, maar met zijn blijhartigheid en zijn gedrevenheid, Reza gaf nooit op, wond hij iedereen om zijn vingers.
Ontroerd door al deze gedachten schuift Artaban de schapenvacht nog iets verder over Reza heen.

——-

‘Nee!’
Verschrikt kijkt Artaban achterom. Reza is wakker. Hij zit rechtop op zijn knieen en wijst beteuterd naar de grond. Voor de kruik liggen de verlepte bloemblaadjes van de klaproos.
‘Alle blaadjes zijn eraf!’ roept hij verbolgen.
De bloemsteel met bovenaan het zwarte hartje hangt levenloos over de rand van de kruik. Nijdig rukt Reza de slappe steel uit de kruik en smijt hem op de grond.
Artaban lacht om zijn felheid.
‘Niet lachen!’ beveelt Reza boos.
‘Ik had hem voor jou geplukt. Nou heb jij geen bloem.’
‘Het geeft niet’, zegt Artaban. ‘Ik vond hem dicht ook heel mooi.’
Ontdaan kijkt Reza naar zijn leermeester.
Artaban haalt zijn schouders verontschuldigend op.
Dan staat Reza op en klopt zijn knieen schoon.
Ik ga een nieuwe plukken’, zegt hij vastberaden.
‘Gaan we naar beneden?’
Artaban knikt.

Als ze naar beneden lopen, rent Reza minder ver dan anders voor Artaban uit.
Bij de grote bocht stopt hij. Hij kijkt over de rand van het bergpad. In de kleine kom waar ze gisteren gestopt waren staan een paar klaprozen vlammend rood te stralen in de ochtendzon. Reza staat klaar om een kleine sprong te nemen. Hij aarzelt.
Op een korte afstand ziet Artaban het gebeuren. Nieuwsgierig naar wat Reza nu gaat doen passeert hij hem niet veel later in de bocht.
Onverwachts draait Reza zich om, huppelt een paar pasjes en pakt de hand van Artaban. Zwijgend lopen ze hand in hand naar beneden.

‘Ben jij ook afgeplukt?’ vraagt Reza plotseling.
Verrast kijkt Artaban op.
‘Waarom denk je dat?’
‘Je hebt vannacht gehuild. Ik heb het gezien.’
‘Ik dacht dat je sliep’, lacht Artaban en hij knijpt de kleine jongen in zijn hand.
‘Maar ben je afgeplukt?’ vraagt Reza door.
‘Nee’ ,lacht Artaban. ‘Ik ben niet afgeplukt.’
‘Waarom huilde je dan?’ Reza kijkt op naar Artaban.
Zijn lange baard wappert in de lentewind.
‘Omdat ik zo blij ben dat jij in mijn leven bent gekomen.’
Reza straalt. En terwijl ze hand in hand verder wandelen legt hij zijn hoofd tegen de bovenarm van Artaban.
‘Ik blijf altijd bij jou’, zegt hij.
Artaban glimlacht.
In zijn hoofd gonzen de woorden van zijn beste vriend: ‘Op een dag rent hij onder je vleugels uit en ben je hem kwijt.’
Een kleine huivering trekt over zijn rug.
‘Dat is fijn jongen’ , zegt hij en hij drukt een kus op Reza’s bruine krullen.

Dan rukt Reza zijn hand los.
‘Wie het eerste thuis is!’, roept hij.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s