Ieder Wonder

fragment uit: De legende van Ieder Wonder

… De regen spat als spijkers uit de hemel.
De kleine Swaenhilde rent en rent. Langs velden vol wapperend koren, ze springt over sloten en plassen, tot ze bij de rand van het woud is. Nog een keer kijkt ze achterom. Ze weet dat koning Waldemar haar op de hielen zit, en vlucht dan het donker in.
Alsmaar rent ze door. Ze klimt over omgevallen bomen en rent dwars door struiken vol dorens, tot haar weg doorkruist wordt door een wild stromende beek. Water schuimt en kolkt tegen de keien.
Zoekend kijkt ze om zich heen.
Op dat moment landt een zwaan op een kei vlak voor haar voeten.
‘Zwaantje. Oh Zwaantje’ ,snikt de kleine Swaenhilde dankbaar.
‘Ik wist dat je me helpen zou. Help jij mij door de beek? Zorg jij dat ik niet wegstroom?’
De zwaan knikt. Swaenhilde stapt het water in en slaat twee armen om zijn nek. Op dat moment klinkt een hard gesuis door de lucht. Het meisje draait zich om, en ziet hoe een goed gemikte pijl op haar afkomt. Ze bukt. En de pijl landt diep tussen de witte vleugels van de zwaan. Ze voelt hoe de hals van de zwaan langzaam slap wordt in haar armen.
Dan rijst de gestalte van Waldemar op uit het donker van het woud. Hij grijnst. Met grote stappen komt hij dichterbij.
‘Wat heb je gedaan?’, roept Swaenhilde nog bozer dan bang. Ze weet dat de koning sterker is, maar ze zal zich niet zomaar opgeven. Nooit.
Snikkend legt ze het hoofd van de zwaan in het kuiltje tussen zijn vleugels, alsof hij slaapt. Dan recht ze haar rug en zet een stap op de oever. Waldemar staat nu vlak voor haar.
‘Hoe ben je zo geworden dat je niet van het leven houdt?’ huivert het meisje.
‘Stel je niet aan’ ,snuift hij. En hij grijpt naar de wonderstaf op haar borst.Zijn ogen spugen vuur. Weer ziet Swaenhilde het duivelsrood in zijn ogen. Dan rijst in haar de moed van een ridder.
‘Je bent een duivelszoon!’, roept ze. Met haar twee handen omklemt ze de wonderstaf en springt handig opzij.‘Ga weg!’ gebiedt ze. ‘Jij hebt nog één kans om te kiezen voor het goede.’
Een valse lach weerklinkt helder boven de beek. ‘Klets niet’, hoont Waldemar.
‘Jij dacht dat jij de enige was die het geheim kent van Ieder Wonder. Maar je hebt het mis. Dom wicht’, en hij grijpt het meisje wild bij haar schouders. Haar handen omklemmen de staf nog steviger. ‘Ik weet vanaf de dag dat ik je zag precies wat jij wil doen Waldemar’, zegt ze terwijl ze zich uit zijn greep probeert te worstelen. ‘Jij wil de kracht van de staf misbruiken voor rijkdom en macht. Maar dat laat ik niet gebeuren!’. En terwijl ze dat zegt, schiet een ongekende levenskracht door haar lichaam. Ze vecht met heel haar wil om te overleven.
‘Ik weet dat Ieder Wonder waar is!’ , schreeuwt Swaenhilde naar de hemel. Waldemar grijpt haar hand en de staf beet. ‘In de naam van Artaban, help me!’ roept Swaenhilde terwijl ze zich losvecht.
Waldemar rukt de staf van haar nek. En met de schok die door haar lichaam schiet, vallen de parel en de saffier uit de staf in het wild kolkende water. In een slok worden ze meegesleurd door de stroom.
Verbijsterd staart Waldemar ze na, de staf leeg in zijn hand.
Op dat moment klinkt een helse donderslag. Een ongekende bliksemkracht boort zich in het lichaam van de koning. Zijn duivelsrode ogen sperren zich wijd open en hij wordt met een smak op de grond geworpen.

En dan is het over. Plotseling.
De regen stopt.
Daar ligt hij. Een paar meter verwijderd van Swaenhilde, en met in zijn hand het smeulende restant van de staf van Artaban. Een zwarte stomp, met in het midden nog 3 gaten en onderaan een gebroken koord.
De kleine Swaenhilde gruwelt van de roodverbrande bliksemschichten op zijn gestalte. En snikt.
Dan vermant ze zich. Ze stapt op Waldemar af, opent zijn hand en neemt de staf voorzichtig van hem terug.
Rillend kruipt ze tegen een hoge steen aan de rand van de beek.
Als ze daar even zit, hipt plotseling een door en door natte jonge haas achter een kei vandaan. Hij heeft alles zien gebeuren.
Swaenhilde wil hem roepen met haar stem, maar ineens begrijpt ze dat ze zonder de parel niet meer kan spreken.
De kleine haas kijkt haar angstig aan.
‘Toe. Kom maar bij mij’ , troost Swaenhilde hem met de stem van haar hart die haar nog immer vertrouwd is. ‘Het kwaad is over. We zijn nu veilig.’
Aarzelend hipt het beestje dichterbij. Swaenhilde knielt en tilt hem op.
Angstig kijkt hij naar het dode lichaam.
‘Hij kon hij er niks aan doen’ , fluistert haar hart tegen de kleine haas.
‘Er is nooit van hem gehouden.’

Schermafbeelding 2015-01-15 om 11.53.59 kopie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s